geologie fontrabiouseHydrologie, Geologie

De Capcir is een streek van hoogvlakten ingesloten tussen bergmassieven: het Carlitmassief in het Westen, waar een van de toppen van de Pic Péric (2810 m) het hoogste punt is; in het Oosten het Madresmassief met toppen tot 2469 m; op het Noorden geopend op de departementen Aude en Ariège en op het Zuiden uitkomend op de Conflent en de Cerdagne via de pas "col de la Quillane".
Het is de opening op het Noorden die de streek zijn naam gegeven heeft: "Capcir" komt van "Caput Circii" (letterlijk "kop van Cers" of "naar de cers".
Ongeveer 10 000 jaar voor onze jaartelling trekken de gletsjers zich terug uit de Capcir.
De grot Fontrabiouse is ontstaan in het Devoonkalk, dus hij is al heel oud.
Deze kalksteenlaag is bij de geologen bekend als "syncline van Mérens tot Villefranche" beginnend bij Mérens-en-Ariège en eindigend bij Villefranche-de-Conflent in de Oostelijke Pyreneeën, d.w.z. een lengte van 45 km en een dikte van enkele honderden meters.
Ter herinnering: een syncline heeft de vorm van een dakpan met opgerichte randen. Het water erin stroomt in het midden en loopt weg naar het laagste deel.
In de sector van Fontrabiouse loopt de kalksteenlaag schuin naar het Oosten en de ondergrondse rivier komt aan de oppervlakte bij het gelijknamige dorp: Fontrabiouse ("Font Rabiosa" betekent "razende stroom").
Speleologische expedities die sinds meer dan 40 jaar georganiseerd zijn door het Speleologische Verbond van de Roussillon hebben aangetoond dat de geologie van de grot Fontrabiouse niet zo eenvoudig was als deze lijkt. De Pyreneeën is namelijk een nog steeds groeiend gebergte (de pic du Carlit komt nog steeds langzaam omhoog) en deze verheffing gaat niet zonder slag of stoot. De speleologen hebben vele breuken vastgesteld, waarvan sommige minimaal zijn en gemakkelijk te overbruggen, maar andere zijn veel groter en blijken een ware barrière te vormen.
Drie grote breuken die ruwweg genomen Noord-Zuid lopen, doorsnijden de kalklaag over een lengte van 4 km, vanaf het stroomafwaartse gedeelte inclusief de ingerichte grot, tot het gedeelte stroomopwaarts, bij de berghut la Jassette in de Galbevallei.
De verkenning stroomafwaarts bracht 12 km aan gangen aan het licht in vijf verdiepingen.
De verkenning stroomopwaarts via het "Zuigende Gat" (Trou Qui Aspire, afgekort TQA), een put van 310m diepte bracht 1,5 km verkende rivier.
Tussen deze twee gedeeltes aan gangen mist 1,5 km die nog te verkennen zijn. Als hier ook meerdere verdiepingen zijn, kan men mogelijk rekenen op 7 km nieuwe grotgedeeltes.